bronvermelding: In beeld gebracht
printterug
omschrijving:
Naslagwerk over de stand van zaken aangaande kunst in de openbare ruimte van de gemeente Groningen in 1998.
tekst:
Stadsmarkeringen

Wie Groningen nadert per auto, trein, fiets of per schip, komt op een aantal plekken tekens tegen, markeringen. Het zijn er negen aan de stadsrand en een in het centrum op het Martinikerkhof. Dit tiende teken verwijst naar de negen andere. Het zal niet vaak voor komen dat men er op een dag meerdere tegenkomt, laat staan alle. Een rondrit langs alle tekens is al gauw zestig kilometer lang. De tekens zijn ook niet met elkaar verbonden door een route maar ze markeren de invalswegen van en naar de stad.
Op 14 december 1990 werden ze op de slotmanifestatie van het feest, ter ere van het 950-jarig bestaan van Groningen, onthuld. Het zijn geen losse, opzichzelfstaande beelden en ook functioneren ze niet als zelfstandige kunstwerken of als route, maar toch hebben ze nadrukkelijk met elkaar te maken. Vroeger definieerden vestingmuren en hun poorten de stad. Sinds de wallen geslecht zijn is de overgang vervaagd.

In Groningen zijn een aantal beelden die het gevoel geven: ik ben weer in de stad. Bijvoorbeeld Het Peerd van Ome Loeks voor het station of de gekleurde neonelementen op de kantoorgebouwen van de Kempkensberg. In het verleden is aan kunstenaars de opdracht gegeven overgangen te markeren. Een brug is daarvoor blijkbaar een inspirerende plek. Het vrouwenbeeld Landbouw en Veeteelt bij de Herebrug, gemaakt door Wladimir de Vries, staat voor de representatie van Stad en Ommeland. Niet alleen door figuratie kan iets verbeeld worden. Zo liet Willem Reijers zich voor de opdracht van de nieuwe Emmabrug (1959) inspireren door de plek: een enorme stroom aan gemotoriseerd verkeer komt hier de stad binnen. Het dynamische beeld Het Verkeer dat Reijers hiervoor maakte, bestaat uit een opeenstapeling van wielen en tandraderen in de vorm van een voortglijdend beest. Beide beelden markeren de brug op geheel eigen wijze en vertellen iets over de geschiedenis van de stad: symboliek in het ene beeld en ontwikkeling in het andere.
Beelden in de openbare ruimte ontstaan veelal in het kader van nieuw gerealiseerde projecten. Meestal vindt men deze niet aan de rand van de stad. De nadering van een stad is bijna overal hetzelfde: langs onïnteressante bebouwing, bedrijfsterreinen en langs een woud van bewegwijzeringen en verkeerslichten. Deze elementen zeggen echter niets over de stad zelf.
Frank Mohr, die tot aan zijn dood in 1998 veel bestuurs- en adviseursfuncties met betrekking tot beeldende kunst in de stad Groningen heeft bekleed, leefde allang met het idee dat deze stad nieuwe stadspoorten moest krijgen die de trots van de stad zouden uitstralen. Ze zouden in ieder geval vijftig jaar moeten blijven staan en zowel overdag als 's nachts te zien moeten zijn. Hij lanceerde dit plan in het kader van de festiviteiten rond het 950-jarig bestaan van de stad. Hiermee wist hij het enthousiasme te wekken van de dienst RO/EZ en de politiek. Ze vonden het een fantastisch idee en het college van Burgemeester en Wethouders sprak uit dat het een project moest worden voor iedereen in de Groninger samenleving. Een stuurgroep, geadviseerd door een commissie van deskundigen, werd in het leven geroepen. Niet om een zoveelste beeldenroute tot stand te brengen maar om een basis te leggen voor een concept dat ook iets over Groningen zou zeggen.
Kortom, meer gericht op de identiteit van de stad. De ingestelde adviescommissie dacht niet aan het realiseren van kunstwerken omdat stadspoorten dat niet zijn. De poort was een boodschap, een verzameling van tekens die uit meer bestaat dan formele en esthetische betekenissen. Net als vroeger moest de entree van de stad weer bijzonder worden. Het idee was om dit op een eigentijdse wijze te markeren. Dat dit niet eenvoudig met het oude idee van stadspoorten kon, was duidelijk.
Men ging op zoek naar een persoon die de inhoudelijke en filosofische kanten van het verschijnsel stad en haar begrenzing wist te benoemen. Iemand, volgens de adviescommissie, die bekend was met meerdere disciplines en daarnaast een oorspronkelijke visie had op de stad, de stedelijke identiteit en de stadscultulur; iemand die in staat was een inspirerend 'cultuur'plan van de stad te maken.
Zo iemand dacht men te vinden in Daniel Libeskind die na opleidingen in de schilderkunst, muziek en wiskunde, architectuur is gaan studeren. Hij stond, samen met een aantal andere architecten, eind jaren tachtig in de belangstelling. Zij werden geschaard onder de noemer van Deconstructivisten. Op een geheel andere manier benaderden zij de stedenbouw en architectuur. Hun stelling was dat het leven veel ingewikkelder en gefragmenteerder was geworden en dit moest ook in de architectuur tot uiting komen. De wanorde die een teken is van onze tijd, wordt onderzocht en van een taal voorzien. Andere architecten uit deze stroming waren Rem Koolhaas, Zaha Hadid, Peter Eisenman, Bernard Tschumi en Coop Himmelblau. Allen geen onbekenden in Groningen. Want zij namen deel aan het project What a Wonderful World! musicvideos in architecture, eveneens in 1990 in Groningen gerealiseerd. Op de singels en bij de A-kerk verschenen vijf videopaviljoens, in bouw geïnspireerd door het medium video. Coop Himmelblau kreeg daarna de opdracht een deel van het nieuwe Groninger Museum te maken.

Het masterplan van Daniel Libeskind

Na een bezoek aan Groningen en de bestudering van kaarten en informatie presenteerde Daniel Libeskind zijn plan. Van elk plan voor de stad verschijnen kaarten; of dat nu verkeersplannen, een structuurplan of economische ontwikkelingen betreft. De één abstract en de ander makkelijk te begrijpen. De vreemde kaart van Libeskind van Groningen zal voor de meesten in eerste instantie een compleet raadsel zijn. Op de kaart zijn kromme en rechte lijnen getrokken, aangevuld met formules en een reeks van parameters. Het is helder dat het hier niet gaat om een duidelijk visueel beeld, maar om een stelsel van verwijzingen en associaties. Op basis van deze kaarten zijn de opdrachten geformuleerd voor de te ontwerpen tekens. Zij moeten zelf verhalen gaan vertellen. Hij noemde zijn plan The Books of Groningen.
Het masterplan was letterlijk een boek. Twaalf zware aluminiumplaten waren met stevige bouten op elkaar geschroefd. Om het boek te lezen moet het gedemonteerd worden. Uitgangspunt was de naam Cruoninga. "De identiteit van een stad begint met de naam," zo stelde Libeskind. De naam van de stad is voor het eerst vastgelegd in 1040 als Cruoninga in een giftbrief van de Duitse keizer Hendrik III. Een naam kan echter ook een leeg omhulsel blijken. Het openbreken van verstarde, gesloten symbolen is de leidraad in het werk. Een andere benadering was nodig om een ideeënrijker verhaal te krijgen. Daarom heeft hij een typerende of markante afspiegeling van het complexe weefsel van de samenleving in de stad Groningen gemaakt.
Op elk blad staat een letter en voor iedere letter werd een teken opgericht. Elk blad bevat tevens een suggestie bestaande uit zeven parameters die het rijke leven van de stad weerspiegelen: een kleur, een tijdstip van de dag, een Griekse muze, een hoek van opening, een stedelijke functie, een uitdrukkingswijze en de hartslag. Het masterplan bevat een assenkruis door het centrum van de stad en daarnaast negen banen die het centrum met de periferie verbinden. Elke baan
kreeg naast de letter ook het symbool van de aardbol mee en een wiskundige formule waarin de factor X is opgenomen. Deze staat voor het irrationele, het onvoorspelbare. De factor X is niet het getal waar een formule mee opgelost kan worden, het is het tegendeel: het is het resultaat van een creatief proces dat verder gaat dan meten, verder dan het onbegrensde en verder dan het hemelse. Het architectonische programma voor de tekens is gericht op herstel van het spirituele in de architectuur en daarmee op de omarming van het irrationele. Het kan niet zonder engagement en zeker niet zonder vakmanschap en een roep naar openheid.
Daniel Libeskind vond het een voorwaarde dat mensen uit verschillende disciplines de tekens zouden ontwerpen: muren tussen de specialisaties moesten geslecht worden. Deze deelnemers vertegenwoordigen het leven in de stad. De adviescommissie heeft een selectie gemaakt van twintig mensen die uitgenodigd werden. Sommigen vonden het niet interessant genoeg, kregen te weinig honorarium of - en dat gold met name voor de kunstenaars - wilden zich niet onderwerpen aan de regie van een ander. Uiteindelijk werden een choreograaf, historicus, toneelschrijver, kunstenaar, econoom, architect en filosoof uitgenodigd een ontwerp te maken. Gedurende de ontwerpperiode kon de associatieve matrix geraadpleegd, omgezet, opgedeeld of gemonteerd worden in nieuwe interpretaties van de boeken. Iedere markering moest zowel heden, verleden als toekomst in zich dragen.

Het draagvlak

De ontstaansgeschiedenis had, net als andere ondernemingen die een maatschappelijk draagvlak behoeven, plaats in een netwerk van politieke, sociale en financiële belangen. Door de projectgroep is hard gewerkt om zowel bij vakmatig geïnteresseerden als bij uiteenlopende groepen en instanties enthousiasme te wekken. En natuurlijk zijn er over de uitvoering, om redenen van techniek ofwel financiën, keuzes gemaakt en compromissen gesloten. Maar het belangrijkste is - en dat staat ook in de inleiding van de catalogus van het project - dat de realisatie van dit project een monument is van internationale betrekkingen tussen mensen, van vele disciplines: de wereld van de toekomst.
Allerlei activiteiten zijn in de aanloop naar de realisatie van de tekens georganiseerd. Aan de promotie en publiciteit is veel aandacht besteed. Velen werden bij het project betrokken - tot aan leerlingen van basisscholen toe door het hijsen van vlaggen, het begraven van kokers met, aan de hand van een speciale lesbrief, gemaakte sporen van deze tijd in de vorm van brieven en tekeningen. Hiermee wordt een lijn naar de toekomst getrokken. Bij het 1000-jarig bestaan van de stad in 2040 kunnen zij zich nog hun aandeel herinneren.
Het project is gegroeid van één naar ruim tweeëneenhalf miljoen gulden. Vooralsnog waren er slechts middelen beschikbaar om het masterplan uit te laten werken in maquettes en daarvan een tentoonstelling in het Groninger Museum te maken, toentertijd nog aan de Praediniussingel gelegen. Deze maquettes hadden een dermate grote impact dat de KPN Koninklijke PTT Nederland bereid was substantieel bij te dragen. Daarmee zagen ze zich aan Groningen verbonden. Eerder
al had het ministerie van WVC, het Praktijkbureau Beeldende Kunst en een groep van negen bouwers via een consortium forse bedragen beschikbaar gesteld. Dit maakte dat het project ook daadwerkelijk gerealiseerd kon worden.

Tekens, deelnemers en opgaven

C - Kurt W. Forster (Zwitserland 1935, kunst en architectuur-historie)
HlSTORY /NARRATION/10AM/LIGHT RED/SCHOOL/CLIO

Op een eiland naast de A28 staat een elektriciteitsmast met daarop zeven vlamvormen die 's avonds aangelicht worden. Op de eerste dag van de week brandt er een en elke dag komt daar een bij. Aldus vormt het de cyclus van de week. Op de mast licht 's avonds het getal 10.40 op (een verwijzing naar het ontstaan van de stad). In de formule staat CLIO, de muze van de geschiedenis. En geheel volgens Forsters achtergrond ging hij op zoek naar elementen in de geschiedenis van Groningen die voor zijn teken van belang konden zijn. Hij wilde deze fysiek aanwezig laten zijn: de elementen water, aarde en vuur leveren zijn 'brandstof. Gas is een belangrijke bodemschat voor Groningen, daarbij zijn elektriciteitsmasten een bepalend element in het vlakke Noorden en geven ze een fysieke vorm aan abstracte verbindingen van energie. Tastbare objecten zouden de geschiedenis van Groningen aangeven. Voorwaarde was uit te gaan van een bestaande mast. Alhoewel de uitvoering een versimpeling van het oorspronkelijke ontwerp is, heeft dit teken toch een impact. Van verre is het zichtbaar als een toren. Dit is Groningen: op meerdere plekken ontwaart men boven natuur en bebouwing het teken ter oriëntatie.

R - Akira Asada (Japan 1957, economie)
YELLOW/FESTIVAL/ECONOMICS/8AM/HOUSE/THALIA

Asada schreef op zijn pagina's op een elektronisch bord en monitoren een continue stroom aan nieuwsfeiten en andere gegevens en schetste aan de hand van wereldwijde medianetwerken de futiliteit van de stadsgrens. Na een aantal maanden zijn de monitoren verwijderd omdat bleek dat de techniek niet functioneerde. Bij warm weer viel de apparatuur uit en bij koud weer was er sprake van condensvorming. Hiermee zijn de pagina's simpele verwijzingen geworden. Twee pagina's staan in een hoek van zestig graden. De ene pagina - van glas en metaal - verwijst naar de toekomst en de andere - uitgevoerd in een oud materiaal als de kloostermop - vormt de verwijzing naar het verleden. Daarop is de tekst onvoltooid toekomstige tijd aangebracht. Een derde, gebroken pagina - van ijzer - overbrugt de sloot, zij symboliseert de verbinding tussen leven en dood. Het betonnen platform, de basis, vormt een open tekst waarop geschreven en getekend kan worden. In het platform bevindt zich een put waarin oude en met name economische literatuur is verstopt: een onzichtbaar zwaartekrachtscentrum.

U – Daniel Llibeskind (Polen 1946/Verenigde Staten, architectuur)
MAGIC/11 AM/GRAVEYARD/TRAGEDY /BLACK WITH RED HIGHLIGHTS/MELPOMENE

Het opengeslagen boek van Libeskind verwijst naar de bibliotheek. Een wig op schots en scheefstaande poten heeft een bekleding gekregen met allemaal fragmenten uit de (kunst)geschiedenis. Deze zijn geschilderd door Groninger kunstenaars. Libeskind wil hiermee uitdrukken dat de geschiedenis van de stad door de eigen inwoners geschreven wordt.

O - Thom Puckey (Engeland 1948, beeldende kunst)
GOLD/RHETORIC/LIBRARY/DIALECTIC/12PM/POLYHYMNIA

Puckey vond dat zijn beeld voor zich moest spreken: uit een rode bakstenen schoorsteen komen negen vlammen/tongen volgens een wiskundige Fibonacci-reeks. Ze zijn uitgevoerd in brons en lijken als onkruid langs de schoorsteen omhoog te woekeren. Dit verwijst naar heroïek: de natuur die terrein terugwint op de techniek. De schoorsteen is een belangrijk element in het landschap van Groningen, alhoewel het bijna gedaan is met de rijkdom aan steen-, aardappelmeel- en strokartonfabrieken. Een echte Groninger schoorsteenbouwer heeft de schoorsteen vakkundig opgebouwd, hiermee is het bijna een industrieel monument.

N - Gunnar Daan (Nederland 1939, architectuur)
LYRIC/TAVERN/5 PM/POLITICS/WHITE/TERPSICHORE

Al wandelend of fietsend langs het Eemskanaal, of met de auto komend uit de richting Winsum, ontwaart men bladen die waaien in de wind. Terpsichore, godin van de reidans heeft haar invloed aangewend. Ook hier weer twee pagina's van het boek. Te zien is het interieur van de stad in de vorm van een stoa, een dak met zuilen en eronder een binnenruimte. Het tegenovergestelde - het exterieur, volume in de ruimte in de vorm van gesimplificeerde torens - zien we op de andere pagina verbeeld.

I - Heiner Muller (Duitsland 1929-1996, theater)
Concert/7pm/Fugue/Music/Sky Blue/Euterpe

Müller heeft zich in zijn toneelstukken altijd fel gekant tegen het denken dat het heden eeuwig duurt. Dit thema heeft ook zijn teken meegekregen. Het heeft te maken met Müllers fascinatie voor de omgang van een stad met de dood, zoals hij stelt: "Sterven hoort bij het leven."
Op een brok zwarte natuursteen is een gedicht gegraveerd Bruchstück für Luigi Nono. Müller was bevriend met de componist Luigi Nono, deze was eerst gevraagd de markering te ontwerpen, maar hij was toen af ernstig ziek en kort daarna overleed hij. Müllers monument is daarmee een hommage aan Nono.
Op drie parallel geplaatste balken is de wereldkaart afgebeeld. Met stippen is aangegeven waar ter wereld oorlog wordt gevoerd. Het monument vertelt over het leed dat mensen elkaar aandoen, incidenteel en op georganiseerde wijze, dit fenomeen is zo oud als de mensheid. Muziek is de tegenhanger: een bindend element dat de grenzen van de aardse realiteit kan doorbreken. De muziek die bij dit monument hoorde, was een fragment uit Luigi Nono's compositie over Auschwitz. Bij nadering van het monument, dat verscholen staat in een bosje langs de weg naar de Eemshaven, werden de muziek en het kindergeschreeuw door middel van een elektronisch oog hoorbaar. Omwonenden vonden dit een te zware belasting voor de kinderen die in dit gebied speelden en daarom is dit deel verwijderd.

N - William Forsythe (Verenigde Staten 1949, dans)
Dance/Mechanics/3 pm/Streets/Red Flame/ Erato

Niet een teken in de lucht, maar een ingreep in het landschap, vormt de inbreng van Forsythe. Een vierhonderd meter lange rij wilgen werd geplan taan een evenzolange gracht. Ze zijn met draad bevestigd aan ankers opdat ze krom groeien. Een groene wal slingert langs en over de gracht en is beplant met verschillende kleuren heesters. Het geheel vormt een verwijzing naar de dans. Daarin wordt geprobeerd lichamen te vormen of te v. "Out of nature," zegt Forsythe. Deze stadsmarkering is een choreografie; men weet niet hoe zij er uiteindelijk uit gaat zien. Overigens is het kromtrekken van bomen iets dat vroeger in Groningen gedaan werd doorscheepsbouwers. Dit kromgetrokken hout werd gebruikt voor de spanten van schepen. (foto p.87)

G - John Hejduk (Verenigde Staten 1929, architectuur)
10PM/DARK BLUE/MEDICINE/HEROIC POETRY/HOSPITAL/CALLIOPE

Het geheel bestaat uit drie torens: de kaartentoren, de pilaar met op het rad van fortuin de joker en op de derde toren de naam van de stad. Volgens Hejduk is de toren een architectonisch archetype, als een letter uit het alfabet. Het ontwerp is eenvoudig en juist in zijn eenvoud ervaart men de inhoud het sterkst.
De kaartentoren staat voor de gefixeerde tijd: vier series van 13 kaarten = 52 kaarten. Met de joker staat dit voor de 365 dagen in een jaar. De moderne tijd is Groningen. De joker op het middeleeuwse rad van fortuin met een ratelaar In de hand kijkt naar Groningen, de kaarten en de tijd. Hij houdt net als bij het theater iedereen de spiegel voor. Dit teken vertelt vele verhalen: het gaat over de kansen in het leven, over goed en slecht, geometrie, enzovoort.

A- Leonhard Lapin (Estland 1947, beeldende kunst)
SHELTER/ ASTRONOMY/NAVIGATION/IVORYIAFTER MIDNIGHT/URANIA

In een knooppunt van treinsporen in het zuiden van de stad staat een in het niets eindigende wenteltrap. Stel dat het mogelijk zou zijn boven te komen dan is daar de confrontatie met de kosmos. Men kan er de aarde ontstijgen. In een schuine spiegel ziet men zichzelf en de sterrenhemel: het eindeloze zwart, het onbegrijpelijke. En daarmee is een van de thema's in het werk van Lapin - het zichtbaar maken van de grens tussen realiteit en het irreële - zichtbaar gemaakt. (foto p.87)

Het tiende teken - Paul Virilio (Frankrijk 1932, filosofie)
BED + DREAM = NARCISSUS
Midnight

Virilio wilde zich niet bezighouden met een ontwerp maar met een concept. De filosoof leverde een tekst aan waarin de put centraal stond. Zijn stelling was dat de moderne mens alleen kan dromen over een centraal punt in zijn leven. Daarnaast biedt een put als een zwart gat uitzicht op het middelpunt van de aarde; een put legt de relatie tussen centrum en periferie. Door de put wordt bovendien niet alleen het verleden blootgelegd maar ontstaan er ook nieuwe verbanden. Het vormt een rijk van de verbeelding, een filosofisch element. Het is daarom niet belangrijk om over een vorm, stijl of beeld na te denken. Toch kwam er het voorstel om een put te maken waarin de tekst verwerkt zou worden. Op het Martinikerkhof bevond zich tot 1627 de Sint-Walburgkerk. De kerk diende als kapel voor de bisschop. In de kerk zat een waterput en op deze plek verwijst Virilio's put nu naar de geschiedenis, de bisschop en daarmee het begin van Groningen 1040. De hoekpunten wijzen naar de tekens aan de rand van de stad.

Inderdaad zijn de Stadsmarkeringen niet als kunstwerken te beschouwen: ze bedienen zich niet van de taal van de beeldhouwkunst. Niet in ieder teken is de fascinatie voor vorm, voorverbeelding of materialiteit te herkennen. Het zijn pagina's uit het boek dat Groningen kan zijn. Het mag ook duidelijk zijn dat de ontwerpen niet met elkaar vergeleken moeten worden. Elk teken vertelt een eigen verhaal. Het masterplan heeft gewerkt als een vruchtbare bodem waarin veelsoortige begroeiing kan gedijen. De tekens wijzen naar binnen, ze vormen een rand en met elkaar spannen ze een weefsel met bijzondere kenmerken van de stedelijke samenleving. Tevens zijn ze een grens en geven ze aan wat wordt beschouwd als karakteristiek voor haar midden. Het centrum is onzichtbaar. Hier vindt men de identiteit waaraan de bevolking van een stad zich spiegelt: als Narcissus aan de bron, niet in staat om zijn zelfbeeld te omvatten. Het doel van het project ligt in de overdenkende en verbeeldende rol die de stad speelt in het leven van haar inwoners. Waarde krijgt het ook door de betekenis die het zich in de toekomst verwerft, zowel voor de inwoners en de bezoekers van de stad.
Nieuwe stedenbouwkundige ontwikkelingen reageren op de fysieke aanwezigheid van de tekens. Inmiddels zijn er nieuwe uitbreidingen van Groningen die de grens van de stad naderen en daarmee ook de tekens.
Eén daarvan is die van Thom Puckey. De uitbreidingswijk De Held is in zijn opzet georiënteerd op de aanwezigheid van dit teken, hierdoor is in het centrum van De Held de grote open ruimte met een belangrijke waterpartij ontstaan. De stadsmarkering lijkt nu minder toevallig op deze plek, zij raakt meer opgenomen in de stad.
Minder pregnant aanwezig is het teken van Libeskind. Bij de ontwikkeling van de Buitenhof leefde de gedachte in het verlengde van de opengeslagen pagina's een centrale as van de wijk te maken. Vanuit het besef dat het voor Libeskind veel belangrijker is dat zijn teken in de as van de twee belangrijkste torens van de stad ligt - de A-kerk naar de Martinikerk - heeft men dat idee laten vallen.

De tekens gaan ieder verschillend om met de situatie van de plek. Zo speelt bijvoorbeeld Hejduks beeld in op de hoge snelheid van gemotoriseerd verkeer. In zijn vorm vertoont het beeld overeenkomsten met de reclame die aan snelwegen verschijnt. Het teken vertolkt echter in het geheel geen commerciële motieven. Geheel anders ligt het beeld van Müller: de plek kan slechts te voet, over een pad door een jong bos, bereikt worden.
Het bijzondere aan dit project is dat het niet om één of een paar tekens gaat. Hier is sprake van een veelomvattend project dat over de kleinschaligheid van de plek heen gaat en de stad als geheel ter discussie stelt. Het is de visualisering van een onzichtbare overgang naar het omringende land.

Bronnen
Hefting, Paul, Camiel van Winkel (red.)
Stadsmarkeringen, dienst Ruimtelijke Ordening, 1990.
‘Stadsmarkerirngen van Groningen’, bijlage Nieuwsblad van het Noorden, december 1990
uitgeverij:
CBK Groningen
datum uitgave:
1998
plaats uitgave:
Zoek
printterug
interface decoratie